Inleiding
In 1935 ontdekte McCay dat muizen die minder eten kregen langer leefden [1]. Hiermee was het concept 'calorie restrictie' geboren. De mogelijkheid om de levensduur te verlengen werd echter na deze ontdekking door de wetenschap genegeerd. In 1983 ontdekte Michael Klass dat een mutatie van het age-1 gen in de worm C. elegans de levensduur met 30 tot 50% verlengt [29,30].
De wetenschapster Cynthia Kenyon raakte geïnteresseerd in veroudering en ging op zoek naar mutaties in het DNA die de levensduur kunnen verlengen. Toen was echter wetenschappelijk onderzoek naar veroudering ('biogerontologie' genaamd) nog iets nieuws. Weinig wetenschappers durfden het om zich in dit nieuwe onderzoeksdomein te begeven. Pas enkele jaren nadat Kenyon en haar collega's ontdekten dat een mutatie in het daf-2 gen de levensduur van C. elegans kon verdubbelen [2] begon het onderzoek naar levensverlenging aandacht te krijgen.
Gelukkig is ondertussen de situatie veranderd en is de biogerontologie een volwaardig onderzoeksdomein. Ondertussen zij er meer dan 40 genetische mutaties ontdekt die de levensduur van verschillende organismen verlengen [3]. Hieronder volgt een overzicht van wat er tot u toe bekend is over veroudering. We sommen ook enkele manieren op om veroudering tegen te gaan.
Definitie en het verschil tussen gemidelde en maximale levensduur
We kunnen veroudering definiëren als 'het totale effect van innerlijke veranderingen die in een organisme optreden door het voorbij gaan van de tijd die de vitaliteit en het functioneren van het organisme negatief beinvloeden, met als gevolg een verhoogde ontvankelijkheid voor interne en externe factoren die de dood van het organisme kunnen veroorzaken'.
Deze definitie stelt aldus dat veroudering het gevolg is van veranderingen in je lichaam, die gebeuren naarmate je ouder wordt en die de kans om te sterven vergroten. In het Engels worden zowel de termen 'aging' als 'senescence' gebruikt voor veroudering. Aging is echter de meer algemene term die ook gebruikt word voor wijn, auto''s,... terwijl senescence voorbehouden is om veroudering in levende organismen te beschrijven.
Het verschil tussen gemiddelde en maximale levensduur is zeer belangrijk om een onderscheid te maken tussen de gemiddelde en de maximale levensduur van mensen of dieren.
De gemiddelde levensduur is het gemiddelde van alle verschillende leeftijden in een populatie. De maximale levensduur is de leeftijd die het oudste dier van deze soort ooit heeft bereikt. Zo is de gemiddelde levensduur van een man in België 75,6 jaar en van een vrouw 82,1 jaar, terwijl de maximale levensduur van een mens 122 jaar 5 maand en 14 dagen is en bereikt werd door Jeanne Calment.
Het is echter zo dat we de maximale levensduur voor onze soort niet zeker weten, aangezien we slechts recente data hebben. Het kan dus zijn dat er ooit mensen ouder zijn geworden dan Jeanne Calment met haar leeftijd van 122 jaar. En vaak is het zo dat zelfs voor sommige mensen die vandaag de dag leven er geen of niet genoeg bewijs is om ontegensprekelijk hun hoge leeftijd vast te stellen. Volgens Robert Young and Jay Olshansky is 130 jaar het absolute maximum dat iemand ooit kan geworden zijn. Indien u meer wilt weten over centenarians en supercentenarians verwijs we u verder naar de Supercentenarian Research Foundation en de Gerontology Research group (zie pagina met links). Centenarians zijn mensen die ouder dan 100 zijn, supercentenarians zijn mensen die ouder dan 110 zijn.
Wat zijn de oorzaken van veroudering?
Er zijn twee mogelijke verklaringen voor het waarom van veroudering.
De eerste verklaring stelt dat veroudering geprogrammeerd zit in ons DNA terwijl de tweede verklaring stelt dat veroudering het gevolg is van de opeenstapeling van schade in het lichaam. Hieronder worden beide theorieën besproken.
1. Geprogrammeerde veroudering
Charles Darwin''s theorie van natuurlijke selectie stelt dat alle evolutionaire aanpassingen een verhoging van de 'fitness' of voortplantingssucces moeten veroorzaken. Veroudering veroorzaakt een daling in de fitness van een organisme en bijgevolg zou veroudering niet geëvolueerd kunnen zijn. Ondanks het feit dat veroudering in tegenspraak leek te zijn met zijn idee van natuurlijke selectie geloofde Darwin toch in een genetische oorzaak. Hij heeft echter nooit een theorie over veroudering in evolutionaire termen opgesteld. De eerste die dit wel deed was de bioloog August Weismann, die in 1882 stelde dat veroudering het gevolg was van een evolutionaire aanpassing die verhinderde dat nakomelingen met hun ouders in competitie zouden moeten gaan voor benodigde grondstoffen zoals voeding.
Vandaag de dag is dit idee echter achterhaald. Veroudering is namelijk zeldzaam in de natuur omdat de meeste dieren sterven ten gevolge van honger, predatie of ziekte vooraleer de effecten van veroudering de kop opsteken. Door de zeldzaamheid van oude dieren in het wild zouden de effecten van competitie tussen ouders en nageslacht sowieso verwaarloosbaar zijn.
Weismann zag zelf dat zijn theorie niet echt klopte en stelde later een nieuwe theorie op waarin veroudering het gevolg was van wat we 'evolutionaire verwaarlozing' kunnen noemen. Deze theorie stelt dat de evolutionaire druk afneemt na de reproductieve levensduur. Natuurlijke selectie stelt dat genetische eigenschappen die de kans op succesvolle reproductie verhogen bevoordeeld worden. Dat is logisch, enkel de genen van organismen die zich succesvol voortplanten blijven bestaan. Een genetische eigenschap die de levensduur op latere leeftijd verhoogd (dus in de periode waarin een organisme geen nageslacht meer produceert) is niet gevoelig voor natuurlijke selectie.
De bioloog Peter Medawar stelde dat veroudering het gevolg was van willekeurige mutaties die pas nadelig werken op oudere leeftijd en bijgevolg slechts een kleine invloed hebben op de fitness van een jong organisme zodat er slechts een kleine selectie druk is tegen deze mutaties. Later werd deze theorie verder uitgewerkt tot het 'antagonistisch pleiotrofisch concept' van veroudering door George Williams in 1957.
Dit concept stelt dat sommige mutaties die voordelig kunnen zijn op jonge leeftijd nadelig kunnen worden op oudere leeftijd en dat bijgevolg natuurlijke selectie toch deze mutaties zal selecteren voor hun voordelig effect op jongere leeftijd. Een voorbeeld zijn de NOX enzymen die vrije radicalen produceren. Deze vrije radicalen worden gebruikt als signaal molecules en om biologische reacties uit te voeren.
De productie van vrije radicalen door deze NOX enzymen is op latere leeftijd gelinkt aan atherosclerose, hypertensie, diabetische nefropathie, long fibrose, kanker, de ziekte van alzheimer en vele andere. Het feit dat evolutie toch voor deze strategie heeft gekozen is te wijten aan de voordelen op jonge leeftijd [4]. Toch is het idee dat veroudering geprogrammeerd zou kunnen zijn niet uitgestorven.
Joshua Mitteldorf en Michael R. Rose zijn twee voorstanders van geprogrammeerde veroudering. Mocht veroudering geprogrammeerd zijn dan zou dit goed nieuws zijn want dan betekend dit dat we simpelweg het voorgeprogrammeerde mechanisme kunnen uitschakelen. Als veroudering veroorzaakt word door de opeenstapeling van schade (zie volgende paragraaf) of door een combinatie van geprogrammeerde mechanismen en de opeenstapeling van random schade dan zal het moeilijker zijn om veroudering te stoppen, maar zeker niet onmogelijk.
2. Veroudering als opeenstapeling van willekeurige schade
Momenteel zijn de meeste experts het erover eens dat veroudering veroorzaakt word door de accumulatie van willekeurige ('random') schade.
In 1908 ontdekte Max Rubner dat er een verband bestaat tussen lichaamsgrootte, metabolische snelheid (metabolic rate) en longevity ('langlevendheid') in vijf soorten zoogdieren. Grotere diersoorten leven meestal langer en verbruiken minder caloriën per gram lichaamsgewicht dan kleinere dieren. Raymond Pearl ontwikkelde met Rubner's theorie in zijn gedachten de 'rate of living theorie'. Deze therorie stelt dat de levensduur bepaald word door de 'inherent vitality' (intrinsieke vitaliteit) van een organisme. Pearl definieerde inherent vitality als de capaciteit van een organisme om vitale acties uit te voeren in de complete afwezigheid van exogene energie, onder omstandigheden van volledige uithongering.
Je zou de theorie van metabolische snelheid kunnen linken aan de vrije radicaal theorie. Calorie restrictie verminderd de calorie inname, verlengd de levensduur en remt de opbouw van molecules die beschadigd zijn door oxidatie in knaagdieren. Het was George Sacher die voor het eerst voorstelde dat het levensverlengend effect van calorie restrictie voortkomt uit een lagere metabolische snelheid.
Maar meer recent bewijs toont aan dat de daling van de metabolische snelheid enkel gebeurt in een korte periode na het starten van calorie restrictie. Na een tijdje wordt de metabolische snelheid van de dieren op calorie restrictie gelijk aan deze van controle dieren. De levensduurverlenging veroorzaakt door calorie restrictie in vliegen en wormen is niet gelinkt aan een lagere metabolische snelheid. Ook interventies die inwerken op de insuline huishouding van het lichaam verlengen de levensduur zonder de metabolische snelheid te verlagen. Bovendien leven vogels zoals papegaaien langer dan zoogdieren van dezelfde lichaamsgrootte ondanks het feit dat deze vogels een veel hogere metabolische snelheid hebben. Al dit bewijs lijkt aan te tonen dat de 'rate of living theory' fout is.
Veroudering afremmen
Alvorens we enkele manieren bespreken om veroudering af te remmen, is het van belang te weten wat het onderscheid is tussen primaire en secundaire veroudering. Primaire veroudering is de langzame opstapeling van schade in het lichaam en de bijbehorende aftakeling. Momenteel is enkel van calorie restrictie bewezen dat het de primaire veroudering kan afremmen. Secundaire veroudering wijst op alle ziekten waarvan de kans om ze te krijgen toeneemt met het ouder worden, maar die niet obligatief een deel moeten zijn van veroudering. De oorzaken van secundaire veroudering zijn slechte levensstijl keuzen zoals roken en ongezonde voeding. Tertiare veroudering slaat op de snelle lichamelijke en geestelijke aftakeling in de maanden voor de dood.
SENS
Traditioneel bestaan er twee soorten strategiën om de levensduur te verlengen. Ten eerste kan men de verouderingsziekten bestrijden. De meeste artsen volgen deze strategie. Helaas blijkt deze stragetie niet zo goed te werken, de verlenging van de levensduur is zeer beperkt. De tweede strategie is om de opbouw van schade te vertragen door het metabolisme efficienter te maken. Dit kan gedaan worden via bijvoorbeeld genetische manipulatie. Een voorbeeld van dit laatste is een mutatie van het 'indy' gen ('I'm not dead yet') in D. melanogaster die de productie van vrije radicalen door de mitochondriën verlaagt en de levensduur met 100% verlengt [3,17]. Zijn deze twee strategiën de enige of bestaat er nog ander alternatief? Het antwoord is ja, namelijk SENS. SENS is de afkorting van 'strategies for engineered negligible senescence'. Volgens de SENS-theorie is de accumulatie van schade de oorzaak van veroudering en kan deze schade via specifieke methoden 'gerepareerd' worden. Deze schade kan onderverdeeld worden in 7 groepen [18, 23]:
1. Nucleaire mutaties en epimutaties
2. Mitochondriale mutaties
3. Cel verlies en atrofie
4. Dood-resistente cellen (death resistant cells)
5. Proteine cross links
6. Lysosomaal afval
7. Extracellulair afval
Laat ons dieper ingaan op deze zeven soorten schade. Het eenvoudigste om te begrijpen is celverlies en atrofie. Atrofie is het krimpen van de organen ten gevolge van celverlies. Het bekendste voorbeeld van atrofie is sarcopenie. Sarcopenie is de wetenschappelijke naam voor het verlies aan spiermassa met het ouder worden. De oplossing voor dit soort schade ligt voor de hand, namelijk het vervangen van de afgestorven cellen met nieuwe cellen door gebruik te maken van stamcellen (zie de onderstaande paragraaf over stamcellen voor meer info).
Een andere vorm van schade zijn de nucleaire mutaties. Een nucleaire mutatie is een vorm van schade aan de DNA-streng in de kern ('nucleus') van de cel. DNA-strengen kunnen breken door hydrolyse (reactie met water). Er wordt geschat dat er in elke cel elke dag vele duizenden beschadigingen gebeuren aan het DNA ten gevolge van hydrolyse. [3] Een andere oorzaak van genetische mutaties is oxidatie. In mindere mate kunnen mutaties ook een gevolg zijn van UV-straling, ioniserende straling (radioactieve straling) en mutagene chemicaliën zoals benzeen en ethidium bromide.
De beschadigingen of mutaties van het DNA kunnen in verschillende groepen onderverdeeld worden:
Enkelstrengige breuken
Dubbelstrengige breuken
Thymine-dimeren
Cross-links tussen de strengen
Ontbrekende basen
Beschadigde basen
Een derde vorm van schade die zorgt voor veroudering zijn de mitochondriale mutaties.
De mitochondrien bevatten een genoom met slechts 13 genen en 16569 baseparen in plaats van de ongeveer 30.000 genen en 3 miljard baseparen in het DNA dat zich in de celkern bevindt. Voor de volledigheid moeten we vermelden dat het mitochondriale DNA (mtDNA) ook codeert voor een paar RNA's (22 tRNA's en 2 rRNA's).
De mitochondria bevatten tussen de 1000 en 2000 verschillende proteinen, afhankelijk van de diersoort. [38] Het meerderdeel van deze proteinen wordt gesynthetiseerd in het celvocht en wordt daarna door het TIM-TOM complex in het mitochondrion gebracht.
Men vermoedt dat het mitochondriale DNA een hogere mutatiesnelheid heeft dan het nucleaire DNA in de celkern omdat het mitochondriale DNA niet beschermd is door de histonen en omdat de mitochondriën de belangrijkste plaats zijn voor de synthese van vrije radicalen als een bijproduct van de oxidatieve fosforylatie (zoals het vrije radicaal 'superoxide' dat wordt gevormd door complex I en III in de mitochondriën). In 1973 hebben Chance en collega's bepaalt dat ongeveer 1 à 2% van alle zuurstof in het mitochondrium in superoxide wordt omgezet. [26] Indien 1% omgezet zou worden betekent dit dat een gemiddelde persoon per jaar 1,7 kg superoxide produceert [27]. De vrije radicaalproductie kan echter lager zijn omdat in vele experimenten bij atmosfeerconcentraties aan zuurstof werd gewerkt. [28]
Er dient opgemerkt te worden dat de vergelijking van de mutatiesnelheid tussen celkern-DNA en het mitochondriaal DNA geen eenvoudige opgave is. 'Single point mutaties' en 'deletions' in het mitochondriaal DNA worden verantwoordelijk geacht voor verschillende erfelijke ziekten [24,25].
De vraag is nu of mutaties in het mitochondriaal DNA ook van belang zijn in veroudering?
Levensverlening in de praktijk
Genetische interventies
Zoals hierboven reeds werd aangehaald is de eerste mutatie (age-1) die de levensduur verlengt in 1983 ontdekt door Michael Klass. De tweede was een mutatie in het daf-2-gen, ontdekt in 1993 door Ramon Tabtiang, een student die werkte onder leiding van professor Kenyon [2].
Het daf-2 gen was een paar jaar eerder ontdekt als een gen dat jonge C. elegans-wormpjes in staat stelt om in een 'dauer' te gaan wanneer er een tekort is aan voedsel. Een dauer is een stadium voor de pubertijd waarbij de groei en reproductie wordt stilgezet totdat de omstandigheden (voeding beschikbaarheid) verbeteren, waarna de groei hervat wordt. Sterke daf-2 (-) mutanten worden zelfs dauers als er genoeg voedsel beschikbaar is.
De vraag kan dan gesteld worden of de langlevende daf-2 mutanten van Kenyon geen dauers waren. Dit bleek niet het geval te zijn omdat ze vruchtbaar waren en actief beweegden, terwijl dauers onvruchtbaar zijn en stil blijven liggen.
Kimura ontdekte in 1997 dat daf-2 codeert voor een hormoon-receptor lijkend op de receptor voor insuline en 'insulin like growht factor (IGF-1) in mensen. De inhibitie van de insuline/IGF-1 pathway in vliegjes verlengt ook de levensduur [31,32], evenals de reductie in de activiteit van de IGF-1 receptor (heterozygote knockout) [33] of de insuline receptor (knockout in vetweefsel) [34] in muizen.
In 2005 ontdekte Korosu dat een peptide-hormoon genaamd 'Klotho' de levensduur van muizen verlengt door de Insuline/IGF-1 pathway te inhiberen [35]. Het valt buiten het doel van deze website om een gedetailleerd overzicht te bieden van alle genetische interventies die de levensduur verlengen. Voor mensen die hierin geïnteresseerd kunnen we volgende excellente reviews aanbevelen [3,36,37].
Stamcellen
Regeneratieve geneeskunde is een nieuwe tak in de geneeskunde die gebruik maakt van stamcellen om bepaalde weefsels in het lichaam te vervangen.
Deze weefsels kunnen cellen zijn, zoals de dopamine-producerende cellen in de hersenen die afsterven bij de ziekte van Parkinson, of hele weefsels, organen en zelf grotere delen zoals ledematen. Het kunstmatig maken van nieuwe organen en lichaamsdelen is nog niet ontwikkeld, buiten een paar uitzonderingen (zoals het maken van een gedeeltijk functionerende blaas of hart in het laboratorium).
Om over een stamcel te kunnen spreken moet voldaan zijn aan twee voorwaarden:
1. De stamcel moet kunnen delen terwijl ze ongedifferentieerd blijft.
2. De stamcel moet na differentiatie aanleiding geven tot de vorming van verschillende gespecialiseerde celtypes.
Sommige stamcellen kunnen slechts een paar celsoorten vormen, anderen kunnen alle soorten van cellen vormen. Daarom delen wetenschappers de stamcellen onder in verschillende categoriën afhankelijk van hun vermogen om verschillende celsoorten te vormen:
Totipotete stamcellen: deze kunnen alle soorten van celtypes vormen, niet enkel deze in het lichaam maar ook andere zoals de placenta. De zygote ( bevruchte eicel) behoort tot de totipotente stamcellen.
Pluripotente stamcellen: deze kunnen alle celtypes vormen die voorkomen in het lichaam. Een voorbeeld zijn de 'inner massa cellen' in een blastocyt (een embryo van een paar dagen oud).
Multipotente stamcellen: deze kunnen een beperkte reeks aan celtypes vormen, die allen behoren tot een beperkte familie. Een voorbeeld zijn de hematopoetische stamcellen die rode bloedlichaamjes, witte bloedcellen en bloedplaatjes kunnen vormen.
Oligopotente stamcellen: deze kunnen slechts een paar soorten cellen vormen, bijvoorbeeld de lymfoïde stamcellen.
Unipotente stamcellen: deze kunnen slechts één celtype vormen.
Unipotente, oligopotente en multipotente stamcellen zijn in de meest strikte zin geen stamcellen omdat ze niet alle celtypes in het lichaam kunnen vormen. Het zijn eigenlijk voorlopercellen ('progenitor cells') in plaats van stamcellen.
Een andere mogelijkheid om stamcellen op de delen is naar hun oorsprong te kijken. We onderscheiden volgende categorieën:
De volwassen stamcellen: dit zijn de stamcellen die in het lichaam van elk van ons voorkomen en die essentieel zijn om de cellen die we elke dag verliezen te vervangen. Dit kunnen unipotente, oligopotente of multipotente stamcellen zijn.
De embryonale stamcellen: dit zijn de stamcellen die voorkomen in de blastocyt (een paar dagen oud embryo). Ze behoren dus tot de categorie van de pluripotente stamcellen.
SCNT stamcellen: dit zijn eigenlijk embryonale stamcellen met de extra voorwaarde dat ze gemaakt worden via SCNT ('somatic cell nuclear transfer', oftewel therapeutisch klonen). Dit maakt dat deze cellen genetisch identiek zijn aan de cellen van de patënt en dus niet het risico op afstoting met zich meebrengen.
iPS stamcellen: dit staat voor 'induced pluripotent stem cells' en deze cellen zijn het meest recent ontdekt . IPS stamcellen worden gemaakt door gewone lichaamscellen te behandelen en ze zo om te vormen in stamcellen.
Dit omvormen is het eerst gedaan door een virale vector 4 genen (Oct-3/4; SOX-2; c-Myc en Klf-4) in de cellen in te brengen [20]. Het zou kunnen dat deze iPS stamcellen aanleiding kunnen geven tot kanker.
Recent onderzoek toont aan dat het mogelijk is om cellen om te vormen in IPS stamcellen met minder dan 4 genen, namelijk enkel met de Oct-4 en SOX-2-genen in combinatie met een chemische stof genaamd valproinezuur. Het zou daarom in de toekomst ook misschien mogelijk zijn om IPS stamcellen te maken door enkel maar bepaalde stoffen aan het groeimedium toe te voegen.
Calorie restriction
Calorie restrictie was de eerste interventie die de levensduur kon verlengen. Ondertussen is bewezen dat calorie restriction de levensduur van vele organismen zoals gist, wormen, fruitvliegen, radarvisjes, spinnen, hamsters, muizen en ratten kan verlengen [5,6].
Calorie restrictie kan de levensduur van ratten en muizen met 20 tot 50% verlengen [7]. Of calorie restrictie de levensduur van mensen kan verlengen is nog niet bewezen, maar onderzoek toont wel aan dat mensen die calorie restrictie volgen aanzienlijke gezonder zijn en betere biomarkers hebben dan andere mensen. Zo hebben 50 jaar oude mensen die voor minstens 6 jaar op calorie restrictie staan een bloeddruk vergelijkbaar met deze van een tienjarige [8].
Onderzoek om de voordelen van calorie restrictie in een pil te stoppen is druk bezig. Onze verwachting is echter dat geen enkele pil die calorie restrictie nabootst de levensduur even sterk kan verlengen als calorie restrictie zelf. Dit betekend echter niet dat er geen geneesmiddelen gevonden kunnen worden die de levensduur nog meer verlengen dan calorie restrictie.
Andere technieken die de levensduur verlengen
In 2008 schreef Wei dat calorie restrictie de enige niet-genetische mannier is om de levensduur van organismen gaande van gist tot muizen te verlengen [9]. Er bestaan echter andere niet-genetische methoden om de levensduur van organismen te verlengen, maar hun effectiviteit is slechts op één of een paar diersoorten aangetoond. Zo kan lithium de gemiddelde levensduur van C. elegans met 45% verlengen en de maximale levensduur met 16% [10,11]. Ondertussen blijkt het standpunt van Wei achterhaald te zijn, want in hetzelfde jaar nog heeft Anisimov reeds een studie gepubliceerd waarin hij aantoont dat een molecule genaamd 10-(6''-plastoquinonyl)decyltrifenylfosfonium de levensduur van verschillende soorten kan verlengen, gaande van een schimmel (Podospora anserina), een kreeftachtige (Ceriodaphnia affinis), een insect (Drosophila melanogaster) en een zoogdier (muis) [12,13].
Een overzicht van enkele technieken die de levensduur kunnen verlengen:
- Lithium: [C. elegans] gemiddelde levensduur: + 46%, maximale levensduur: + 16% [10,11]
- 10-(6''-plastoquinonyl)decyltrifenylfosfonium: [Podospora anserina, Ceriodaphia affinis, Drosophila Melanogaster en muizen]
- Ethosuximide: [C. elegans] [14]
- EUK-8 en EUK-134: [C. elegans] gemiddelde levensduur: + 44%. Bij snel verouderende wormen + 67% [15]*
- valproic acid: [C. elegans] [19]
- Methionine restriction: [22]
- Diwaterstofsulfide (H2S): [C. elegans] gemiddelde levensduur: +70% [21]
In de toekomst zullen nog heel wat andere stoffen en interventies ontdekt worden om de levensduur te verlengen.
Nota's:
* In een studie van Gems et al. faalde EUK-8 en EUK-134 om de levensduur van C. elegans te verlengen maar dit kan veroorzaakt zijn door een verhoogde oxidatieve stress ten gevolge van de cultuur omstandigheden [16]. EUK faalt ook om de levensduur van Musca domestica en Drosophia melanogaster te verlengen.
Referenties:
[1] McCay C. M., Crowell M. P. AND L. A. Maynakd L. A., The effect of retarded growth upon the length of life span and upon the ultimate body size, J. Nutr. (1935) 10 (1): 63.
[2] Kenyon C., Chang J., Gensch E., Rudner A. and Tabtiang R. A., C. elegans mutant that lives twice as long as wild type, Nature 366, 461-464 (1993).
[3] Vijg J., Aging of the genome, 2007, first edition, Oxford University Press, ISBN: 978-0-19-856923-7.
[4] Lambeth J. D., Nox enzymes, ROS, and chronic disease: an example of antagonistic pleiotropy, Free Radic Biol Med. 2007 Aug 1;43(3):332-47.
[5] Lane M. A., Black A., Handy A., Tilmont E. M., Ingram D. K., Roth S. G., Caloric restricion in primates, Ann N Y Acad Sci (Apr. 2001), 928: 287-95.
[6] Holloszy J. O. and Fontana L., Calorie restriction in humans, Exp. Geront. 42 (2007) 709-712.
[7] Walford R. Weindruch R, Journal Nutrition 116: 641, 1986; The Retardation of Aging and Disease by Dietary Restriction, 1988.
[8] McGlothin P. and Averill M., The CR way, first edition, 2008, Harper-Collings Publishers, ISBN: 978-0-06-137098-4.
[8] McGlothin P. and Averill M., The CR way, first edition, 2008, Harper-Collings Publishers, ISBN: 978-0-06-137098-4.
[9] Wei M., Fabrizio P., Hu J., Ge H., Cheng C., Lei L. and Longo V. D. Life Span Extension by Calorie Restriction Depends on Rim15 and Transcription Factors Downstream of Ras/PKA, Tor, and Sch9. PLoS Genet (2008) 4(1): e13.
[10] McColl G. (P), Vantipalli M. C., Lithgow G. J. Lithium and lifespan in C. elegans. Buck Institute for Age Research, Novato CA. http://www.americanaging.org/2005/mccoll2.pdf
[11] McColl G., Killilea D. W., Hubbard A. E., Vantipalli M. C., Melov S. and Lithgow G. J. Pharmacogenetic analysis of lithium-induced delaye aging in caenorhabditid elegans. J. Biol. Chem., Vol. 283, Issue 1, 350-357, January 4, 2008.
[12] Anisimov et al. Mitochondria-Targeted Plastoquinone Derivatives as Tools to Interrupt Execution of the Aging Program. 5. SkQ1 Prolongs Lifespan and Prevents Development of Traits of Senescence. Biochemistry (2008) Vol. 73, No. 12, pp. 1329-1342.
[13] Skulachev et al. An attempt to prevent senescence: A mitochondrial approach. Biochimica et Biophysica Acta (BBA) - Bioenergetics (2008), article in press.
[14] Collins J. J., Evason K., Pickett C. L., Schneider D. L. and Kornfeld K. The Anticonvulsant Ethosuximide Disrupts Sensory Function to Extend C. elegans Lifespan. PLoS Genet (2008) 4(10).
[15] Melov S., Ravenscroft J., Malik S., Gill M. S., Walker D. W., Clayton P. E., Wallace D. C., Malfroy B., Doctrow S. R. and Lithgow G. J. Extension of Life-Span with Superoxide Dismutase/Catalase Mimetics. Science (1 September 2000) Vol. 289. no. 5484, pp. 1567 - 1569.
[16] Keaney M. and Gems D. No increase in lifespan in Caenorhabditis elegans upon treatment with the superoxide dismutase mimetic EUK-8. Free Radical Biology and Medicine (2003) vol. 34, issue 2, pp. 277-282.
[17] Neretti N., Wang P., Brodsky A. S., Nyguyen H. H., White K. P., Rogina B. and Helfand S. L. Long-lived Indy induces reduced mitochondrial reactive oxygen species production and oxidative damage. Published online before print January 21, 2009, doi: 10.1073/pnas.0812484106.
[18] de Grey A. and Rae M. Ending aging: The rejuveation breakthroughs that could reverse human aging in our lifetime. ISBN: 978-0-312-36706-0.
[19] Evason K., Collins J. J., Huang C., Hughes S. and Kornfield K. Valproic acid extends Caenorhabditis elegans lifespan. Aging cell, Volume 7 issue 3, pages 305-317.
[20] Takahashi K., Tanabe K., Ohnuki M., Narita M., Ichisaka T., Tomoda K. and Yamanaka S. Induction of Pluripotent Stem Cells from Adult Human Fibroblasts by Defined Factors. Cell, Volume 131, Issue 5, 861-872, 30 November 2007.
[21] Miller D. L. and Roth M. B. Hydrogen sulfide increases thermotolerance and lifespan in Caenorhabditis elegans. PNAS December 18, 2007 vol. 104 no. 51 20618-20622.
[22] McCarty M. F., Barroso-Aranda J., Contreras F. The low-methionine content of vegan diets may make methionine restriction feasible as a life extension strategy. Med Hypotheses. 2009 Feb;72(2):125-8.
[23] http://www.methuselahfoundation.org/files/sens/manu12.pdf
[24]Holt I. J., Harding A. E., Morgan-Hughes J. A. Deletions of muscle mitochondrial DNA in patients with mitochondrial myopathies. Nature 1988 Feb 25;331(6158):717-9.
[25] Howell N. Human mitochondrial diseases: answering questions and questioning answers. Int Rev Cytol. 1999;186:49-116.
[26] Boveris A. and Chance B. The mitochondrial generation of hydrogen peroxide: general properties and effect of hyperbaric oxygen. Biochem. J. 134 (1973), pp. 707–716.
[27] Nutr. Rev. 52, 255, 1994.
[28] Halliwell B. en Gutteridge J. M. C. Free Radicals in biology and medicine, fouth edition. 2007, Oxford university press.
[29] Klass, M. R. A methode for the isolation of longevity mutants in the nematode Caenorhabditis elegans and initial results. Mech. Ageing Dev. (1983) 22, 279-286.
[30] Friedman D. B. and Johnson T. E. A mutation in the age-1 gene in Caenorhabditis elegans lengthens life and reduces hermaphrodite fertility. Genetics 118, 75-86.
[31] Clancy D. J., Gems D., Harshman L. G., Oldham S., Stocker H. Hafen E., Leevers S. J. and Partridge L. Extension of lifespan by loss of CHICO, a Drosophila insulin receptor substrate protein. Science, 292, 2001, 104-106.
[32] Tartar M., Kopelman A., Epstein D., Tu M. P., Yin C. M. and Garofalo R. S. A mutant Drosophila insuline receptor homolog that extends life-span and impairs neuroendocrine function. Science, 292, 2001, 107-110.
[33] Holzenberger M., Dupont J. Ducos B. Leneuve P. Geloen A., Even P. C., Cervera P. and Le Bouc Y. IGF-1 receptor regulates lifespan and resistance to oxidative stress in mice. Nature, 421, 2003, 182-187.
[34] Bluher M., Kahn B. B. and Kahn C. R. Extended longevity in mice lacking the insuline receptor in adipose tissue. Science, 299, 2003, 572-574.
[35] Korosu H., Yamamoto M. Clark J. D. Pastor J. V. Nandi A. Gurnani P., McGuinness O. P. Chikuda H., Yamaguchi M., Kawaguchi H. et al. Suppression of aging in mice by the hormone Klotho. Science, 309, 2005, 1829-1833.
[36] Kenyon C. My adventures with genes from the fountain of youth. The Harvey lectures, series 100, 2006, pages 29-70.
[37] Braeckman B. P. and Vanfleteren J. R. Genetic control of longevity in C. elegans. Experimental gerontology 42(1-2):90-8 2007.
[38] Mokranjac D. and Neupert W. Thirty years of protein translocation into mitochondria: unexpectedly complex and still puzzling. Biochimica et Biophysica Acta 1793 (2009) 33-41.








